|
Gedicht door Willem Pieterz Moerman, 1648
Dit gedicht (afkomstig van het schilderij in Rotterdam met het wapenschild
van de familie) geeft kort de komst van de Moermannen naar Nederland weer: de
vlucht uit Blankenberge voor de katholieke Spanjaarden, en de aankomst als
14-jarige jongen in Nederland, terwijl de rest van de familie dit niet
overleefde.

AanDactige OverDenkinge Over Myn
WederVaren
In deze Bedroefde, Lydende en Strydende Weerelt
Als Spaans freet gespuis heel Vlaanderen gingh
kwelle,
Zoodat geen leeuw hem in't freets(t)e mogh aanstelle,
Zoo heeft daarboven nog ons honger zware plage,
Daar bij nog zware pest schiere (g)eslaage.
Ik die was jong geyaard, moest vluchten door dees
nood,
Zogt mijn ieudig hert te vrije van den dood.
Ik ben in Holland geraakt, God heeft mij hier gegeven,
Bevrijd van straf en nood, genoeg om wel te leven.
Maar (he)laas, mijn gans geslagt is door dees nood
verdreven,
Dat nooit een straal daar van in't minste us verschenen.
Joseph die was verkogt en buitenlan(d)s verdreven,
Maar echter zijn geslagt is in't licht gebleven.
Mijn stam en afkomst was eertijds genaamt Moorman;
Dit is't meest wat mij hier van heugen kan.
Terweil ik op't (Y)land mijn woning nam met zorg,
Zoo kreeg ik hier nogtans de Van: Van Blankenburg.
Maar omdat mijn afkomst niet blijve zou vergeten,
Zoo gaat men mij Moerman Van Blankenburg heeten.
God geve, dat ik Moerman van Blankenburg sweven
In's hemels Blankenburg bij God in ewigh leven.
********
Daarboven op een rand een engelkopje met de woorden: "Souckt dat boven
is" en beneden een engelkopje met de woorden "Niet dat beneden
is".
|